|
Pakken we het palet om het grauwe lauwe leven der negentienden eeuw te schilderen, kiezen we voor bruinen en grijzer grijs van gevels en schaduwen,
zwart voor het lakense pak van de levende monumenten: de dominee, de regent en de notaris die in hun ledigheid, ver van het gewoel op straat, het gevoel der stervelingen dachten te vertolken –
het speeltuig in de zwakke hand wil ik den citer dwingen, hoe flauw mijn laaggespannen snaren, hoe loos ook mijn zangstem zijn, mijn hart gebiedt: we dichten minnezangen,
schenken de stad desnoods onzen laatsten citerslag. Hart rijmde schaamteloos op smart, de winter huilde, ogen flauwden, geweend werd er innig, droefenis was wonderbaar.
Frikken met bakkebaarden, knevels en boorden, hun deftige postuur, de wereld aan hun voeten, naast hun baksteengotiek
zweetten de huizen uit iedere porie droop het roet langs de gevels.
Eerste stenen werden gelegd van molens, kerken, molens, kerken, molens, kerken, we baden Godt almachtig tot versachtinge van synen toorne over deze landen,
van Gerrit Guis werd een koe gestolen,
we bouwden, stichtten, ontsloten, openden, verpachtten, richtten op, lieten te water, liepen te hoop, maalden, vlochten, goten, bliezen glas, sneden kurk, sjouwden, blusten
branden, brandden, stookten, sloopten, braken af, dronken, overleden, wijl Godt tot heil des sterv’lings dat gebood.
Drie keer in honderd jaar heeft iemand geprobeerd de verstikkende stad te ontstijgen op zoek naar hemels leven werd een zak lucht verhit geen hoogtevrees geen hoogtevrees het uitspansel in,
dit beangstigende boven de groezelige huizen verglijden, dit rondhangen in het wezensvreemde liefderijke, het uitzicht op de horizon waar sintels gloeiden, het beneden lokte – zwaartekracht.
Toen een jongen fluitend over straat ging, talmde een hand die het venster sloot een pooze, terwijl
elders de schilders van het licht in de buitenlucht verf op hun palet knepen om een nieuwe lente te bezingen – zon en witte weelde in een azuren zwerk, maar in de verte naderden reeds de wolken van de wereldbrand.
Bovenstaand gedicht op het thema ‘Schiedam in de negentiende eeuw’ werd geschreven ter gelegenheid van de Open Monumentendagn op 11 en 12 september 2010. Het gedicht bevat toespelingen op poëzie van Isaäc da Costa, Herman Gorter en Jan Greshoff.
|