|
Het gedicht, men dicht het toe dat het ergens vandaan komt, naar toe moet, een bestemming, voornamelijk is het echter van taal.
Werf
Bouwde hij klinkend aan schepen (te water
voeren ze weg), aan zijn zwijgen,
ik aan mijn taal.
Doop
Het schip, men dicht het toe dat het ergens vandaan komt, waar naar toe moet, een bestemming, voornamelijk is het echter van staal.
Wachten op dood tij. Strak geworpen slaat een fles stuk op zijn huid. Proefvaart
op dat schip, ik verzin wie daar mijn vader is.
Bron
Waar ik ooit ontsprong is geheel verzelfd,
zijn taal sijpelde, wegzinkend in komma, gedachtestreep, punt.
Wanneer had het verzinken plaats van de landschappen in hem, de dorre dode takken, rivieren van kiezel.
Wat toen hij zelf de tongloze ontmoette, was er toen geluid
van de overzijde. Iets, een leesteken, een klinknagel, moet
er toch toe doen –
Van de overzijde
Zon plus water is staal – verblind, mijn armen heffend, zie ik een boeg het splijten
op die boot, op dat schip, die bark bevindt zich
wie mijn vader is – oeverloos gewacht.
Herinnering
Op zoek naar zijn oog spiegel ik in zijn bril tot er een scherf licht in vlijmt.
Het schip loopt van stapel, vaart uit, havent zijn huid
en mijn vader, mijn vader, ik fluister zijn werk op de werf – heb hem opnieuw bedacht.
In memoriam machinebankwerker – In het themajaar “water” gedenkt het gedicht de teloorgang van de scheepsbouw oude stijl (Wilton, RDM). Des stadsdichters vader maakte als machinebankwerker deel uit van die geschiedenis.
|