Theater aan de Schie
 
     De moloch van steen, kunststof

     en glas herbergt een houten geheim,
     het theater. Hier speel ik de jood

     die een pond vlees uit een lichaam

     eist voor geld. Mijn stem kaatst
     van de wanden over het publiek
     in een zaal waar het even 1600
     wordt, Venetië – daar

     buiten woekert de 21ste eeuw.


 
Het woord voeren

     Tijdens een gemeentelijke bijeenkomst
     maakte zich uit de menigte een jonge vrouw
     los en stelde zich voor: onverstaanbare naam,
     communicatieadviseur van de wethouder.

     (Ach, wat is er toch gebeurd met de vrouwelijke
     vormen van functies en beroepen?)

     Op mijn gemompeld ‘pardon’ allitereerde
     zij er lustig op los: de woordvoerder van
     de wethouder. Niet veel later ontmoette ik
     de gezagsdrager zelve en deze

     – oh wonder – sprak niet alleen in dier voege
     dat er geluid voortgebracht werd, doch bleek zeer
     wel in staat om zonder bijstand van fonetische
     of lexicale aard enkele grammaticaal correcte
     en hier en daar zelfs coherente gedachten
     bevattende zinnen tot een goed einde te brengen.

 
Drie Schiedamse limericks

     De straffe stadsdichter van Schiedam
     vindt veel rijmelarij vooral gedram:
     padadam tadadam,
     tadadam padabam.
     Tja, zo rijmt vrijwel álles op Schiedam.

     De strenge stadsdichter van Schiedam
     wordt van veel gerijmel al snel klam.
     ’n Limerick lukt dan ook – door een buitengewoon uit de hand
     gelopen derde regel – niet,
     zoals u hier ziet
     en het einde loopt uit op gezwam.

     Een schiedammer was in Limerick
     en pieste met zijn hand om zijn pik
     ‘Schiedam’ in de sneeuw,
     onderdrukte een schreeuw
     alsmede ‘n trieste jeneversnik.

 
Van station tot station.

Zeven gedichten bij de Beneluxlijn

Centrum


Je zit stil en je beweegt,
besef je dat? Met een schok

sta je stil, je schrikt op

uit je spiegelbeeld en leest

centrum.

Het midden – van wat?

Het centrum ben je zelf,
kijk maar hoe straks
de stad wegdraait – om

een spil.


In gefilterd licht

Ondergronds staren en gefilterd licht
brengen het verborgene der zee teweeg:

men voer, de bark zonk, men dreef

en verdween in zee, werd wrak, gebeente,

koraalmos bewegend in zee,

wier dat teder zweeft en zweept – zodra

ik mij aankijk ben ik weer hier,

hoewel er ook een elders is.


Onderweg


Reiziger, u zit hier nu wel,
maar u zit hier nu al niet
meer, nu bent u al weg

en wat er aan u voorbij

schiet, is de plek – aarde,
donker – die u verlaat.

Maar de verte, daar ga je

in op – het licht in, het leven.



Station


Dit is een station, een plek
van afscheid. Vertrek maar,

want alles wat je zag, ligt

achter de rug. Daar in de verte

is een nieuw station, de plek

van aankomst. Verwelkom

alles wat je ziet, het ligt

daar, in de verte –


Onzekerheden


Reiziger, – wat een woord: reiziger,

want wat bent u als u stilstaat –

u denkt dat u onderweg

bent, maar u staat hier.

U denkt dat u hier staat,

maar ook dat is onjuist,

hier sta ik. Ik ben een gedicht

en voor u sta ik daar.


Reis en gedicht

Wanneer ik op het perron sta,
heb ik weet van richting en doel.

Taal is kreupel en soms stap ik

mis. Rails liggen vast: lijnen
vallen samen op de horizon
en verdwijnen. Het is soms goed

zeker te zijn van je bestemming,

zo ga je op reis, zo kom je aan.

Het is soms goed onzeker te zijn

omtrent doel en richting – zo
ontstaat een gedicht.

Uitloopspoor

Uiteindelijk is er een plek
waar het spoor dood-
loopt. Maar misschien is
dood niet het goede woord.
Het gaat tenslotte om een keer-

punt, zelfs een nieuw begin,

zoals men van een verdwijnende

walvis de staartvin nog ziet,
maar hij beweegt zich voorwaarts;

zodat men zeggen kan: hij heeft

een mooie toekomst achter de rug
en zijn verleden weer voor zich.


De reeks is eerder geschreven en gepubliceerd t.g.v. de presentatie van de stations. ‘Centrum’ is geïnspireerd door en geschreven voor Station Schiedam Centrum, ‘In gefilterd licht’ door en voor Station Parkweg, ‘Onderweg’ door en voor Station Troelstralaan, terwijl ‘Reis en gedicht’ iets zegt n.a.v. overstapstation Tussenwater. De twee walvisstaarten bij het uitloopspoor De Akkers van architect Maarten Struijs komen voor in het laatste gedicht.

 
Kerstboom



Men

heeft mij
geplant, men heeft
mij laten groeien, men heeft
mij geveld, verscheept, opgericht,
een kleed van licht omgehangen,
 
men zal mij ontsteken, ik
heb en zal mij laten besneeuwen,
 
bewonder mij, zeg en zing
oh dennenboom, oh dennenboom,
 
nu, want men zal mij opnieuw omhalen,
men zal van mij een vreugdevuur aanrichten,
opnieuw geef ik dan licht en verwijs
naar nieuwe tijden, voor
jaar,
licht.
Er zij licht!


kerstboom
 
Kinderlogica

         Als ik een kinderrecht moet verbeelden
     schilder ik mezelf, want daar heb ik
     recht op, want ik ben een kind.

     Ik kies mijn eigen kleuren en als ik
     over de lijnen kleur, heb ik daar recht
     op, want ik ben een kind.

     Ik wil helemaal niet naar school, maar ik moet
     van alles leren voor later als ik groot ben,
     daar heb ik recht op, want ik ben een kind.

     Ik verf de hemel groen als gras, en het gras
     knal- of hemelsblauw, mensen paars – dan
     komt de juf en wijst naar buiten waar het
     gras groen is, de hemel blauw of grijs,
     mensen minder paars. Daar heb ik recht
     op, want ik ben een kind.

     'Wat wil je worden later?’ Groot, want
     daar heb ik recht op, want ik ben een kind.

     Ik heb er recht op dat mamma van mij houdt,
     ik heb er recht op dat pappa van mij houdt,
     als ik mijzelf eens kwijtraak, vinden zij mij terug,
     want daar heb ik recht op, want ik ben hun kind.

     Als ik ‘over mijn grenzen heen ga’, mogen zij mij
     lekker niet slaan – daar hebben zij geen recht op,
     ook al ben ik een kind. Zij moeten mij mijn grenzen
     leren, daar heb ik recht op, want ik ben een kind.

     Als ik pappa en mamma zie, denk ik soms heel even
     aan het later waarvoor ik dat allemaal moet leren,
     dat later waarin ik hard moet werken voor een dak
     boven het hoofd van mijn kinderen, want daar hebben
     zij recht op, want zij zijn kinderen

     en dan ga ik gauw weer spelen, want daar heb ik recht
     op, want ik ben nog maar een kind.

afbeelding schilderij behorende bij het gedicht kinderlogica

Het gedicht is op verzoek van Vluchtelingenwerk Schiedam geschreven ter gelegenheid van   de tentoonstelling De kleuren van kinderrechten, schilderijen naar aanleiding van kinderrechten
door gevluchte kinderen, in de Stadswinkel in Schiedam (16 november - 14 december 2010).

            

 
Sociale sofa in Schiedam

                                      Een kleine gebruiksaanwijzing

     Het woordenboek zegt het:
     een bank is een zitmeubel
     voor twee of meer personen.

     Neem dus plaats en maak ruimte
     voor uw buurman en buurvrouw,
     knik hen goedertieren toe, zeg

     hallo, merhaba, ahlan*,
     klop uitnodigend op de zitting
     en stoffeer deze met een beetje
     welwillendheid, probeer (desnoods
     met handen en voeten) een gesprekje.

     Deze bank investeerde in beton
     en betaalt uit in veelkleurige
     ontvankelijkheid. Dít is uw bank.

Afbeelding 2 SofaAfbeelding Sociale Sofa

     * cześć, oi, hola, zdravei, yassou, namaste …

Sociale sofa in Schiedam – de sociale sofa’s zijn een initiatief van Karin Bruers. In Schiedam staan verschillende sociale sofa’s. Dit gedicht speelde een rol bij de onthulling van de sociale sofa in Schiedam Oost op 13 oktober 2010.

 
Een ziekenhuis is ook maar een mens

                                                      In memoriam voor het oude Vlietland ziekenhuis

          Bracht men de zieken tot mij –
          ik stond open: hier werd geboren,
          verpleegd, gekoesterd, genezen, gestorven.

          De roze herinnering verdampt, de bloed-
          plas gedweild, het doodsbed ontmanteld,

          werd ik met blindheid geslagen, mijn
          bloedsomloop stilgelegd, de huid
          geschonden, botten gebroken, het skelet
          geslecht, in de ingewanden woekert
          de sloophamer, in longen wolkt het stof.

          Nog één stuiptrekking, dan
          ben ik ontwricht en ontslapen:

          na het puin is er de leegte,|
          het duurzame niets.

          sloop_vlietland_ziekenhuis
 
Reisadvies
       
            Weet je wat je eens zou moeten doen?

        Je pakt een koffer, ik bedoel:
        niet ínpakken – een lege,

        je wacht op zon en wandelt
        met je koffer stadslucht
        door Schiedam:

        alsof je met vakantie bent.
 
Scyedam, den negentienden eeuw

     Pakken we het palet om het grauwe
     lauwe leven der negentienden eeuw
     te schilderen, kiezen we voor bruinen
     en grijzer grijs van gevels en schaduwen,

      zwart voor het lakense pak van de levende
     monumenten: de dominee, de regent en
     de notaris die in hun ledigheid, ver
     van het gewoel op straat, het gevoel
     der stervelingen dachten te vertolken –

     het speeltuig in de zwakke hand wil
     ik den citer dwingen, hoe flauw
     mijn laaggespannen snaren, hoe loos
     ook mijn zangstem zijn, mijn hart
     gebiedt: we dichten minnezangen,

     schenken de stad desnoods onzen
     laatsten citerslag. Hart rijmde
     schaamteloos op smart, de winter
     huilde, ogen flauwden, geweend
     werd er innig, droefenis was wonderbaar.

     Frikken met bakkebaarden, knevels en
     boorden, hun deftige postuur, de wereld
     aan hun voeten, naast hun baksteengotiek

     zweetten de huizen uit iedere
     porie droop het roet langs de gevels.

     Eerste stenen werden gelegd
     van molens, kerken, molens, kerken,
     molens, kerken, we baden Godt
     almachtig tot versachtinge van
     synen toorne over deze landen,

     van Gerrit Guis werd een koe gestolen,

     we bouwden, stichtten, ontsloten,
     openden, verpachtten, richtten op,
     lieten te water, liepen te hoop,
     maalden, vlochten, goten, bliezen
     glas, sneden kurk, sjouwden, blusten

     branden, brandden, stookten, sloopten,
     braken af, dronken, overleden, wijl Godt
     tot heil des sterv’lings dat gebood.

     Drie keer in honderd jaar heeft iemand
     geprobeerd de verstikkende stad te ontstijgen
     op zoek naar hemels leven werd
     een zak lucht verhit geen hoogtevrees
     geen hoogtevrees het uitspansel in,

     dit beangstigende boven de groezelige
     huizen verglijden, dit rondhangen
     in het wezensvreemde liefderijke,
     het uitzicht op de horizon waar sintels
     gloeiden, het beneden lokte – zwaartekracht.

     Toen een jongen fluitend over straat
     ging, talmde een hand die het venster
     sloot een pooze, terwijl

     elders de schilders van het licht
     in de buitenlucht verf op hun palet
     knepen om een nieuwe lente
     te bezingen – zon en witte weelde
     in een azuren zwerk, maar in de verte
     naderden reeds de wolken van de wereldbrand.

Bovenstaand gedicht op het thema ‘Schiedam in de negentiende eeuw’ werd geschreven ter gelegenheid van de Open Monumentendagn op 11 en 12 september 2010. Het gedicht bevat toespelingen op poëzie van Isaäc da Costa, Herman Gorter en Jan Greshoff.

 

 

 

 
In memoriam machinebankwerker

                                                      Het gedicht, men dicht het
                                           toe dat het ergens vandaan komt,
                                           naar toe moet, een bestemming,
                                           voornamelijk is het echter van taal.

        Werf

     Bouwde hij klinkend
     aan schepen (te water

     voeren ze weg), aan
     zijn zwijgen,

     ik aan mijn taal.


     Doop

     Het schip, men dicht het
     toe dat het ergens vandaan komt,
     waar naar toe moet, een bestemming,
     voornamelijk is het echter van staal.

     Wachten op dood tij. Strak
     geworpen slaat een fles stuk
     op zijn huid. Proefvaart

     op dat schip, ik verzin
     wie daar mijn vader is.


     Bron

     Waar ik ooit ontsprong
     is geheel verzelfd,

     zijn taal sijpelde, wegzinkend
     in komma, gedachtestreep, punt.

     Wanneer had het verzinken plaats
     van de landschappen in hem,
     de dorre dode takken, rivieren van kiezel.

     Wat toen hij zelf de tongloze
     ontmoette, was er toen geluid

     van de overzijde. Iets,
     een leesteken, een klinknagel, moet

     er toch toe doen –

     Van de overzijde

     Zon plus water is staal –
     verblind, mijn armen heffend,
     zie ik een boeg het splijten

     op die boot, op dat schip,
     die bark bevindt zich

     wie mijn vader is –
     oeverloos gewacht.

     Herinnering

     Op zoek naar zijn oog spiegel
     ik in zijn bril tot er een scherf
     licht in vlijmt.

     Het schip loopt van stapel,
     vaart uit, havent zijn huid

     en mijn vader, mijn vader,
     ik fluister zijn werk op de werf –
     heb hem opnieuw bedacht.

     In memoriam machinebankwerker
     – In het themajaar “water” gedenkt het gedicht de teloorgang van de scheepsbouw oude stijl  
     (Wilton, RDM).
     Des stadsdichters vader maakte als machinebankwerker deel uit van die geschiedenis.

 

 
Vijf mei

Gisteren nog kwamen we te zamen
vanwege de herinnerde doden, vandaag
bezingen wij de vrijheid. Weten we het
nog, werkelijk – wéten: we zijn vrij,
ze zeggen het allemaal! Inmiddels

prevelt de vrede, herinnert ons
de wijsgeer, we wijzen met de vinger bij:
we moeten onze tuin onderhouden.

Vrede is een vreemd gewas.

Voorjaar: bezorgd om de tedere schade
als de bloemen vrezen kijken we
verbaasd verheugd naar het prille
tere broze ingetogene: zulke scheutjes?

Des zomers ontkiemt het gevaar
dat het loof dichtgroeit, zich verstikt,
we moeten de uitwassen inperken.

Dan nog het nazomers woekeren,
verdorren, verleppen, verwelken,
het roesten der kleuren aanzien

en snoeien, voordat op sterven
na dood, turfmolm tegen vriesbrand.

Gisteren nog kwamen we te zamen
vanwege de doden, vandaag moeten
we de tuin in. Telkens. Opnieuw.

Het gedicht is geschreven t.g.v. de viering van 65 jaar bevrijding op 5 mei 2010. De wijsgeer is natuurlijk Voltaire.  De ‘tedere schade’ is ontleend aan het beroemde sonnet van J.W.F. Werumeus Buning

 
Emblema voor vier mei
      Nooit heb ik wat mij werd ontnomen
     zo bitter, bitter liefgehad.
 
         foto_Verzetsbeeld_Jan_van_Luyn
     













     



     We denken aan vroeger, tellen
     het gemis, wegen het woord
     vermist, terwijl de tijd stil-
     valt in de bomvolle steden;

  maar de tijd staat niet stil;

  wie zichzelf verliest, laat even
  het heden los, telt af terwijl
  het hart slaat, tot een vogel
  fluit. We moeten dit herhalen,
  telkenmale, ook al gromt
  hier de vrede gulzig door de hof
  van straten en winkels, soms
  zingt een sirene de geluidloze
  schreeuw ternauwernood hoorbaar.

 Het motto is ontleend aan de tekst van Ida Gerhardt (uit: Het carillon) die op de  sokkel van het bevrijdingsbeeld van Jan van Luyn te lezen is

 
Constateringen rondom een vriend
         
                                                                                                  Voor Jaap 
          foto_gedicht_Jaap_oog_in_oog_met_Freud  
     
     In het museum keek hij het langst
     naar ‘portret van een vriend’.
     Hij trachtte de afstand te verkleinen;
     en zat alsof hij verf werd. Hij sprak

     over vertekend perspectief.

     We stelden vast dat de onvoorwaardelijke
     liefde liefde voor het onherroepelijke
     insluit en

     eindigden de dag aan zee. Hij zat met zijn rug
     naar de einder, een ijle grijze lijn, en zei
     dat hij – ik onderbrak

     hem, we aten, we dronken, we
     lachten. Over zijn schouder
     verdween een schip in de verte.

Jaap Meerdink (16 januari 1948 - 30 maart 2010) maakte de aquarel voor de Poëziepleinposter februari 2009, waarvoor stadsdichter Ron Elshout het gedicht Emblema voor Mia leverde.
De betreffende poster is op deze website terug te vinden onder  "De stadsdichter". Hoewel het gedicht niet als 'in memoriam' geschreven is, heeft het inmiddels wel die lading gekregen.

 
Schiedam is het centrum van de wereld


     of: Het ongelijk van Arjen

     Ga ik de hoek van de ’s Gravensandestraat om
     kom ik de kapster tegen die haar zaak verkocht

     Ga je de hoek van de Westvest om
     kom je Saskia en Gerrit tegen die poëzie een warm hart toedragen

     Loop ik op de Lange Haven
     zie ik Jacques die steeds de rondingen van zijn muze schildert

     Loop je op de Grote Markt
     zie je Dolf en Edgar lopen die op weg zijn naar hun fornuis

     Schiedam is het centrum van de wereld
     en toevallig wonen wij daar


Arjen Duinker is deze Delftse en Schiedamse twisten begonnen met zijn gedicht ‘Delft is het centrum van de wereld’. Het staat in Buurtkinderen, gedichten. Amsterdam, 2009, blz. 184.

 
Verbeelde taal, vertaald beeld
                                        
 
                                                                                    Voor SAGE, van tweeën een

     Hier legde iemand
     (twee iemanden)
     het alfabet in bed
     om het later wakker
     te kunnen kussen,

     spijkerde letters aan de muur
     (zij vallen eraf,
     worden opgeraapt,
     opgeplakt, vastgestikt,
     intussen deed een wees de was),

     stuurde een ansichtkaart – en
     een archetype het dak op,

     verschalkte een plankje,
     de wei in een melkfles
     (of andersom?),

     reikte van de aarde naar de hemel,
     sprong van de hemel op aarde,
     legde de wereld uit,

     spelde de muis in kaas, vatte
     Jan Hanlo in een baksteen
     (maar zijn ziel is een musje),

     vertaalde en onthoofdde de dichter.

     Waar is zijn hoofd? Kijk,
     dáár, onder de letters!

Het gedicht verwijst naar werk van SAGE, het Schiedams kunstenaarsduo dat zoveel poëzie in zijn beeldend werk stopt (of andersom).
Van hen was het poëziepleinposterproject dat gedichten de stad in bracht.
 
Het bezit van een ruïne
                         
                          Het bezit van een ruïne, zelfs het zoeken
                          onder de stenen, het vermissen achter het vinden

     Wat hier stond, was een euvele poging
     de oude stad met de ruïne in het hart
     in bestaande taal te herbouwen. Het tart
     de stenen die het in blinde woorden ving

     tot leven te komen, terwijl dat niet ging.
     De straten die nu andere namen dragen
     zijn part en deel van gewezen dagen
     en die lokken tijdens een wandeling.

     Als we bij het eroderend gesteente staan,
     zien we de zelfkant van de tijd: fundering
     vergaat, maar voedt steevast de hunkering
     door verdwenen, vergeten kamers te gaan.

     We moeten uit onze geschiedenis herrijzen,
     maar het verleden is niet van ons, de stad
     staat geschreven zoals ze gedrukt staat;
     van het bestaande zijn hier de bewijzen. 
 
De titel en het motto zijn ontleend aan Gerrit Kouwenaar
 
Vanuit de onderbuik

Vanwege het eeuwig sluiten van compromissen,
omwille van de duizenden liters water bij de wijn
zou je nooit van je leven politicus willen zijn.
Je vindt namelijk: als je moet, dan gá je pissen.

In de drang zichzelf voor de kiezer te bewijzen
zoeken ook de middenpartijen het conflict
met slick geformuleerde one-liners, zeer gelikt,
die je, eenmaal op het pluche gezeten, af kunt wijzen.

Het persoonlijke politiek maken was niet zo’n gek idee,
na de verkiezing verdwijnen de beloftes in een zwart gat:
de politicus veegt z’n handen aan het pluche – dat was dat.
Het politieke persoonlijk maken, daar heeft hij het niet zo mee.


Bovenstaand gedicht heeft de stadsdichter gemaakt ter gelegenheid van de Gemeenteraadsverkiezingen 2010 in Schiedam

_____________________________________________________________________________

 
Op de keien

Godsamme, hier breekie je pote op!

Ja, nee, daar is over vergaderd hoor,
nagedacht, denkie niet? En toen is ’t
besloten en wat besloten is gebeurt.

Nee joh, huren ze een duur bureau voor en
die ontwerp dat – dan hoeve ze d’r eigen daar
niet meer tegenaan te bemoeien, lekker makkelijk.

Ik zeg je: d’r is over vergáderd,
hebben ze gezegd: twee ouwe kerken
dán óók een ouwe stoep. Wat denkie
dat ’t kost trouwens, stenen helemaal
uit de middeleeuwen hiernaartoe halen?

Of ’t nou goedkoop of duur kost,
je zou toch – hé, ineens snap ik ‘t:
in de middeleeuwen had je toch
helemaal geen fietspaden? Nou dan!

_____________________________________________________________________________

 
Mogelijkheden

Hij kan de stad omcirkelen, doorboren, in tweeën
knippen, vierendelen, vragen stellen, fileren, openen,
opdelen, opvouwen, verschuiven, aanwakkeren,
laten overwoekeren, oprekken, zijn randen afplakken,

zijn rusteloosheid verbannen,

becijferen, omkaderen, aantrekken, gebeeldhouwd,
getekend of geschilderd inplakken, inkleuren,
omschrijven, bezingen, toejuichen, als
een vorm van schrijven beschouwen

(een ontsnapping),

spellen, behelzen, en, oh ja, bewonen –

ternauwernood.

_____________________________________________________________________________

 
De dichter in de stad

De dichter loopt door de stad
en vraagt zich af: kan de stad

van iemand houden? De stad
is een abstractie en de dichter

weet: van een abstractie kan
hij houden, zo is het tussen

de dichter en de stad. Mensen
dicht hij er bij, mensen dichterbij.

Alsof het nodig is de stad
te zien, zoals we hem willen

zien, de stad heeft genoeg
aan zichzelf om te bestaan;

om opnieuw te bestaan – van
herinneringen doortrokken –

is er het hoofd van de dichter.

_____________________________________________________________________________