Tijdens een gemeentelijke bijeenkomst maakte zich uit de menigte een jonge vrouw los en stelde zich voor: onverstaanbare naam, communicatieadviseur van de wethouder.
(Ach, wat is er toch gebeurd met de vrouwelijke vormen van functies en beroepen?)
Op mijn gemompeld ‘pardon’ allitereerde zij er lustig op los: de woordvoerder van de wethouder. Niet veel later ontmoette ik de gezagsdrager zelve en deze
– oh wonder – sprak niet alleen in dier voege dat er geluid voortgebracht werd, doch bleek zeer wel in staat om zonder bijstand van fonetische of lexicale aard enkele grammaticaal correcte en hier en daar zelfs coherente gedachten bevattende zinnen tot een goed einde te brengen.
|
|
Drie Schiedamse limericks |
De straffe stadsdichter van Schiedam vindt veel rijmelarij vooral gedram: padadam tadadam, tadadam padabam. Tja, zo rijmt vrijwel álles op Schiedam.
De strenge stadsdichter van Schiedam wordt van veel gerijmel al snel klam. ’n Limerick lukt dan ook – door een buitengewoon uit de hand gelopen derde regel – niet, zoals u hier ziet en het einde loopt uit op gezwam.
Een schiedammer was in Limerick en pieste met zijn hand om zijn pik ‘Schiedam’ in de sneeuw, onderdrukte een schreeuw alsmede ‘n trieste jeneversnik.
|
Zeven gedichten bij de Beneluxlijn
Centrum
Je zit stil en je beweegt, besef je dat? Met een schok
sta je stil, je schrikt op uit je spiegelbeeld en leest
centrum.
Het midden – van wat? Het centrum ben je zelf, kijk maar hoe straks de stad wegdraait – om
een spil.
In gefilterd licht
Ondergronds staren en gefilterd licht brengen het verborgene der zee teweeg:
men voer, de bark zonk, men dreef en verdween in zee, werd wrak, gebeente,
koraalmos bewegend in zee, wier dat teder zweeft en zweept – zodra
ik mij aankijk ben ik weer hier, hoewel er ook een elders is.
Onderweg
Reiziger, u zit hier nu wel, maar u zit hier nu al niet meer, nu bent u al weg
en wat er aan u voorbij schiet, is de plek – aarde, donker – die u verlaat.
Maar de verte, daar ga je in op – het licht in, het leven.
Station
Dit is een station, een plek van afscheid. Vertrek maar,
want alles wat je zag, ligt achter de rug. Daar in de verte
is een nieuw station, de plek van aankomst. Verwelkom
alles wat je ziet, het ligt daar, in de verte –
Onzekerheden
Reiziger, – wat een woord: reiziger, want wat bent u als u stilstaat –
u denkt dat u onderweg bent, maar u staat hier.
U denkt dat u hier staat, maar ook dat is onjuist,
hier sta ik. Ik ben een gedicht en voor u sta ik daar.
Reis en gedicht
Wanneer ik op het perron sta, heb ik weet van richting en doel.
Taal is kreupel en soms stap ik mis. Rails liggen vast: lijnen vallen samen op de horizon en verdwijnen. Het is soms goed
zeker te zijn van je bestemming, zo ga je op reis, zo kom je aan.
Het is soms goed onzeker te zijn omtrent doel en richting – zo ontstaat een gedicht.
Uitloopspoor
Uiteindelijk is er een plek waar het spoor dood- loopt. Maar misschien is dood niet het goede woord. Het gaat tenslotte om een keer-
punt, zelfs een nieuw begin,
zoals men van een verdwijnende walvis de staartvin nog ziet, maar hij beweegt zich voorwaarts;
zodat men zeggen kan: hij heeft een mooie toekomst achter de rug en zijn verleden weer voor zich.
De reeks is eerder geschreven en gepubliceerd t.g.v. de presentatie van de stations. ‘Centrum’ is geïnspireerd door en geschreven voor Station Schiedam Centrum, ‘In gefilterd licht’ door en voor Station Parkweg, ‘Onderweg’ door en voor Station Troelstralaan, terwijl ‘Reis en gedicht’ iets zegt n.a.v. overstapstation Tussenwater. De twee walvisstaarten bij het uitloopspoor De Akkers van architect Maarten Struijs komen voor in het laatste gedicht.
|
Menheeft mijgeplant, men heeftmij laten groeien, men heeftmij geveld, verscheept, opgericht,een kleed van licht omgehangen, men zal mij ontsteken, ikheb en zal mij laten besneeuwen, bewonder mij, zeg en zingoh dennenboom, oh dennenboom, nu, want men zal mij opnieuw omhalen,men zal van mij een vreugdevuur aanrichten,opnieuw geef ik dan licht en verwijs naar nieuwe tijden, voorjaar,licht.Er zij licht!

|
|
Als ik een kinderrecht moet verbeelden schilder ik mezelf, want daar heb ik recht op, want ik ben een kind.
Ik kies mijn eigen kleuren en als ik over de lijnen kleur, heb ik daar recht op, want ik ben een kind.
Ik wil helemaal niet naar school, maar ik moet van alles leren voor later als ik groot ben, daar heb ik recht op, want ik ben een kind.
Ik verf de hemel groen als gras, en het gras knal- of hemelsblauw, mensen paars – dan komt de juf en wijst naar buiten waar het gras groen is, de hemel blauw of grijs, mensen minder paars. Daar heb ik recht op, want ik ben een kind.
'Wat wil je worden later?’ Groot, want daar heb ik recht op, want ik ben een kind.
Ik heb er recht op dat mamma van mij houdt, ik heb er recht op dat pappa van mij houdt, als ik mijzelf eens kwijtraak, vinden zij mij terug, want daar heb ik recht op, want ik ben hun kind.
Als ik ‘over mijn grenzen heen ga’, mogen zij mij lekker niet slaan – daar hebben zij geen recht op, ook al ben ik een kind. Zij moeten mij mijn grenzen leren, daar heb ik recht op, want ik ben een kind.
Als ik pappa en mamma zie, denk ik soms heel even aan het later waarvoor ik dat allemaal moet leren, dat later waarin ik hard moet werken voor een dak boven het hoofd van mijn kinderen, want daar hebben zij recht op, want zij zijn kinderen
en dan ga ik gauw weer spelen, want daar heb ik recht op, want ik ben nog maar een kind.

Het gedicht is op verzoek van Vluchtelingenwerk Schiedam geschreven ter gelegenheid van de tentoonstelling De kleuren van kinderrechten, schilderijen naar aanleiding van kinderrechten door gevluchte kinderen, in de Stadswinkel in Schiedam (16 november - 14 december 2010).
|
|
Een kleine gebruiksaanwijzing
Het woordenboek zegt het: een bank is een zitmeubel voor twee of meer personen.
Neem dus plaats en maak ruimte voor uw buurman en buurvrouw, knik hen goedertieren toe, zeg
hallo, merhaba, ahlan*, klop uitnodigend op de zitting en stoffeer deze met een beetje welwillendheid, probeer (desnoods met handen en voeten) een gesprekje.
Deze bank investeerde in beton en betaalt uit in veelkleurige ontvankelijkheid. Dít is uw bank.
 
* cześć, oi, hola, zdravei, yassou, namaste …
Sociale sofa in Schiedam – de sociale sofa’s zijn een initiatief van Karin Bruers. In Schiedam staan verschillende sociale sofa’s. Dit gedicht speelde een rol bij de onthulling van de sociale sofa in Schiedam Oost op 13 oktober 2010.
|
|
Een ziekenhuis is ook maar een mens |
In memoriam voor het oude Vlietland ziekenhuis
Bracht men de zieken tot mij – ik stond open: hier werd geboren, verpleegd, gekoesterd, genezen, gestorven.
De roze herinnering verdampt, de bloed- plas gedweild, het doodsbed ontmanteld,
werd ik met blindheid geslagen, mijn bloedsomloop stilgelegd, de huid geschonden, botten gebroken, het skelet geslecht, in de ingewanden woekert de sloophamer, in longen wolkt het stof.
Nog één stuiptrekking, dan ben ik ontwricht en ontslapen:
na het puin is er de leegte,| het duurzame niets.

|
|
Weet je wat je eens zou moeten doen?
Je pakt een koffer, ik bedoel: niet ínpakken – een lege,
je wacht op zon en wandelt met je koffer stadslucht door Schiedam:
alsof je met vakantie bent.
|
|
Scyedam, den negentienden eeuw |
|
Pakken we het palet om het grauwe lauwe leven der negentienden eeuw te schilderen, kiezen we voor bruinen en grijzer grijs van gevels en schaduwen,
zwart voor het lakense pak van de levende monumenten: de dominee, de regent en de notaris die in hun ledigheid, ver van het gewoel op straat, het gevoel der stervelingen dachten te vertolken –
het speeltuig in de zwakke hand wil ik den citer dwingen, hoe flauw mijn laaggespannen snaren, hoe loos ook mijn zangstem zijn, mijn hart gebiedt: we dichten minnezangen,
schenken de stad desnoods onzen laatsten citerslag. Hart rijmde schaamteloos op smart, de winter huilde, ogen flauwden, geweend werd er innig, droefenis was wonderbaar.
Frikken met bakkebaarden, knevels en boorden, hun deftige postuur, de wereld aan hun voeten, naast hun baksteengotiek
zweetten de huizen uit iedere porie droop het roet langs de gevels.
Eerste stenen werden gelegd van molens, kerken, molens, kerken, molens, kerken, we baden Godt almachtig tot versachtinge van synen toorne over deze landen,
van Gerrit Guis werd een koe gestolen,
we bouwden, stichtten, ontsloten, openden, verpachtten, richtten op, lieten te water, liepen te hoop, maalden, vlochten, goten, bliezen glas, sneden kurk, sjouwden, blusten
branden, brandden, stookten, sloopten, braken af, dronken, overleden, wijl Godt tot heil des sterv’lings dat gebood.
Drie keer in honderd jaar heeft iemand geprobeerd de verstikkende stad te ontstijgen op zoek naar hemels leven werd een zak lucht verhit geen hoogtevrees geen hoogtevrees het uitspansel in,
dit beangstigende boven de groezelige huizen verglijden, dit rondhangen in het wezensvreemde liefderijke, het uitzicht op de horizon waar sintels gloeiden, het beneden lokte – zwaartekracht.
Toen een jongen fluitend over straat ging, talmde een hand die het venster sloot een pooze, terwijl
elders de schilders van het licht in de buitenlucht verf op hun palet knepen om een nieuwe lente te bezingen – zon en witte weelde in een azuren zwerk, maar in de verte naderden reeds de wolken van de wereldbrand.
Bovenstaand gedicht op het thema ‘Schiedam in de negentiende eeuw’ werd geschreven ter gelegenheid van de Open Monumentendagn op 11 en 12 september 2010. Het gedicht bevat toespelingen op poëzie van Isaäc da Costa, Herman Gorter en Jan Greshoff.
|
|
In memoriam machinebankwerker |
|
Het gedicht, men dicht het toe dat het ergens vandaan komt, naar toe moet, een bestemming, voornamelijk is het echter van taal.
Werf
Bouwde hij klinkend aan schepen (te water
voeren ze weg), aan zijn zwijgen,
ik aan mijn taal.
Doop
Het schip, men dicht het toe dat het ergens vandaan komt, waar naar toe moet, een bestemming, voornamelijk is het echter van staal.
Wachten op dood tij. Strak geworpen slaat een fles stuk op zijn huid. Proefvaart
op dat schip, ik verzin wie daar mijn vader is.
Bron
Waar ik ooit ontsprong is geheel verzelfd,
zijn taal sijpelde, wegzinkend in komma, gedachtestreep, punt.
Wanneer had het verzinken plaats van de landschappen in hem, de dorre dode takken, rivieren van kiezel.
Wat toen hij zelf de tongloze ontmoette, was er toen geluid
van de overzijde. Iets, een leesteken, een klinknagel, moet
er toch toe doen –
Van de overzijde
Zon plus water is staal – verblind, mijn armen heffend, zie ik een boeg het splijten
op die boot, op dat schip, die bark bevindt zich
wie mijn vader is – oeverloos gewacht.
Herinnering
Op zoek naar zijn oog spiegel ik in zijn bril tot er een scherf licht in vlijmt.
Het schip loopt van stapel, vaart uit, havent zijn huid
en mijn vader, mijn vader, ik fluister zijn werk op de werf – heb hem opnieuw bedacht.
In memoriam machinebankwerker – In het themajaar “water” gedenkt het gedicht de teloorgang van de scheepsbouw oude stijl (Wilton, RDM). Des stadsdichters vader maakte als machinebankwerker deel uit van die geschiedenis.
|
|
Gisteren nog kwamen we te zamen vanwege de herinnerde doden, vandaag bezingen wij de vrijheid. Weten we het nog, werkelijk – wéten: we zijn vrij, ze zeggen het allemaal! Inmiddels
prevelt de vrede, herinnert ons de wijsgeer, we wijzen met de vinger bij: we moeten onze tuin onderhouden.
Vrede is een vreemd gewas.
Voorjaar: bezorgd om de tedere schade als de bloemen vrezen kijken we verbaasd verheugd naar het prille tere broze ingetogene: zulke scheutjes?
Des zomers ontkiemt het gevaar dat het loof dichtgroeit, zich verstikt, we moeten de uitwassen inperken.
Dan nog het nazomers woekeren, verdorren, verleppen, verwelken, het roesten der kleuren aanzien
en snoeien, voordat op sterven na dood, turfmolm tegen vriesbrand.
Gisteren nog kwamen we te zamen vanwege de doden, vandaag moeten we de tuin in. Telkens. Opnieuw.
Het gedicht is geschreven t.g.v. de viering van 65 jaar bevrijding op 5 mei 2010. De wijsgeer is natuurlijk Voltaire. De ‘tedere schade’ is ontleend aan het beroemde sonnet van J.W.F. Werumeus Buning
|
|
Nooit heb ik wat mij werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.
We denken aan vroeger, tellen het gemis, wegen het woord vermist, terwijl de tijd stil- valt in de bomvolle steden;
maar de tijd staat niet stil;
wie zichzelf verliest, laat even het heden los, telt af terwijl het hart slaat, tot een vogel fluit. We moeten dit herhalen, telkenmale, ook al gromt hier de vrede gulzig door de hof van straten en winkels, soms zingt een sirene de geluidloze schreeuw ternauwernood hoorbaar.
Het motto is ontleend aan de tekst van Ida Gerhardt (uit: Het carillon) die op de sokkel van het bevrijdingsbeeld van Jan van Luyn te lezen is
|
|
Constateringen rondom een vriend |
Voor Jaap In het museum keek hij het langst naar ‘portret van een vriend’. Hij trachtte de afstand te verkleinen; en zat alsof hij verf werd. Hij sprak
over vertekend perspectief.
We stelden vast dat de onvoorwaardelijke liefde liefde voor het onherroepelijke insluit en
eindigden de dag aan zee. Hij zat met zijn rug naar de einder, een ijle grijze lijn, en zei dat hij – ik onderbrak
hem, we aten, we dronken, we lachten. Over zijn schouder verdween een schip in de verte.
Jaap Meerdink (16 januari 1948 - 30 maart 2010) maakte de aquarel voor de Poëziepleinposter februari 2009, waarvoor stadsdichter Ron Elshout het gedicht Emblema voor Mia leverde. De betreffende poster is op deze website terug te vinden onder "De stadsdichter". Hoewel het gedicht niet als 'in memoriam' geschreven is, heeft het inmiddels wel die lading gekregen.
|
|
Schiedam is het centrum van de wereld |
|
of: Het ongelijk van Arjen
Ga ik de hoek van de ’s Gravensandestraat om kom ik de kapster tegen die haar zaak verkocht
Ga je de hoek van de Westvest om kom je Saskia en Gerrit tegen die poëzie een warm hart toedragen
Loop ik op de Lange Haven zie ik Jacques die steeds de rondingen van zijn muze schildert
Loop je op de Grote Markt zie je Dolf en Edgar lopen die op weg zijn naar hun fornuis
Schiedam is het centrum van de wereld en toevallig wonen wij daar
Arjen Duinker is deze Delftse en Schiedamse twisten begonnen met zijn gedicht ‘Delft is het centrum van de wereld’. Het staat in Buurtkinderen, gedichten. Amsterdam, 2009, blz. 184.
|
|
Verbeelde taal, vertaald beeld |
|
Voor SAGE, van tweeën een
Hier legde iemand (twee iemanden) het alfabet in bed om het later wakker te kunnen kussen,
spijkerde letters aan de muur (zij vallen eraf, worden opgeraapt, opgeplakt, vastgestikt, intussen deed een wees de was),
stuurde een ansichtkaart – en een archetype het dak op,
verschalkte een plankje, de wei in een melkfles (of andersom?),
reikte van de aarde naar de hemel, sprong van de hemel op aarde, legde de wereld uit,
spelde de muis in kaas, vatte Jan Hanlo in een baksteen (maar zijn ziel is een musje),
vertaalde en onthoofdde de dichter.
Waar is zijn hoofd? Kijk, dáár, onder de letters!
Het gedicht verwijst naar werk van SAGE, het Schiedams kunstenaarsduo dat zoveel poëzie in zijn beeldend werk stopt (of andersom). Van hen was het poëziepleinposterproject dat gedichten de stad in bracht.
|
|
Het bezit van een ruïne, zelfs het zoeken onder de stenen, het vermissen achter het vinden
Wat hier stond, was een euvele poging de oude stad met de ruïne in het hart in bestaande taal te herbouwen. Het tart de stenen die het in blinde woorden ving
tot leven te komen, terwijl dat niet ging. De straten die nu andere namen dragen zijn part en deel van gewezen dagen en die lokken tijdens een wandeling.
Als we bij het eroderend gesteente staan, zien we de zelfkant van de tijd: fundering vergaat, maar voedt steevast de hunkering door verdwenen, vergeten kamers te gaan.
We moeten uit onze geschiedenis herrijzen, maar het verleden is niet van ons, de stad staat geschreven zoals ze gedrukt staat; van het bestaande zijn hier de bewijzen.
De titel en het motto zijn ontleend aan Gerrit Kouwenaar
|
|
Vanwege het eeuwig sluiten van compromissen, omwille van de duizenden liters water bij de wijn zou je nooit van je leven politicus willen zijn. Je vindt namelijk: als je moet, dan gá je pissen.
In de drang zichzelf voor de kiezer te bewijzen zoeken ook de middenpartijen het conflict met slick geformuleerde one-liners, zeer gelikt, die je, eenmaal op het pluche gezeten, af kunt wijzen.
Het persoonlijke politiek maken was niet zo’n gek idee, na de verkiezing verdwijnen de beloftes in een zwart gat: de politicus veegt z’n handen aan het pluche – dat was dat. Het politieke persoonlijk maken, daar heeft hij het niet zo mee.
Bovenstaand gedicht heeft de stadsdichter gemaakt ter gelegenheid van de Gemeenteraadsverkiezingen 2010 in Schiedam
_____________________________________________________________________________
|
|
Godsamme, hier breekie je pote op!
Ja, nee, daar is over vergaderd hoor, nagedacht, denkie niet? En toen is ’t besloten en wat besloten is gebeurt.
Nee joh, huren ze een duur bureau voor en die ontwerp dat – dan hoeve ze d’r eigen daar niet meer tegenaan te bemoeien, lekker makkelijk.
Ik zeg je: d’r is over vergáderd, hebben ze gezegd: twee ouwe kerken dán óók een ouwe stoep. Wat denkie dat ’t kost trouwens, stenen helemaal uit de middeleeuwen hiernaartoe halen?
Of ’t nou goedkoop of duur kost, je zou toch – hé, ineens snap ik ‘t: in de middeleeuwen had je toch helemaal geen fietspaden? Nou dan!
_____________________________________________________________________________
|
|
Hij kan de stad omcirkelen, doorboren, in tweeën knippen, vierendelen, vragen stellen, fileren, openen, opdelen, opvouwen, verschuiven, aanwakkeren, laten overwoekeren, oprekken, zijn randen afplakken,
zijn rusteloosheid verbannen,
becijferen, omkaderen, aantrekken, gebeeldhouwd, getekend of geschilderd inplakken, inkleuren, omschrijven, bezingen, toejuichen, als een vorm van schrijven beschouwen
(een ontsnapping),
spellen, behelzen, en, oh ja, bewonen –
ternauwernood.
_____________________________________________________________________________
|
|
De dichter loopt door de stad en vraagt zich af: kan de stad
van iemand houden? De stad is een abstractie en de dichter
weet: van een abstractie kan hij houden, zo is het tussen
de dichter en de stad. Mensen dicht hij er bij, mensen dichterbij.
Alsof het nodig is de stad te zien, zoals we hem willen
zien, de stad heeft genoeg aan zichzelf om te bestaan;
om opnieuw te bestaan – van herinneringen doortrokken –
is er het hoofd van de dichter.
_____________________________________________________________________________
|
|
|